8. Financiën
In dit hoofdstuk lichten we de financiële ontwikkelingen van de VU in 2025 toe. We schetsen eerst de financiële context en beschrijven daarna de ontwikkeling van het resultaat 2025 van de VU.
Financiële context
Het jaar 2025 stond voor ons als Vrije Universiteit in het teken van transitie. We hebben in 2025 gewerkt aan de afronding van de laatste strategische acties uit ons oude Instellingsplan en we hebben in 2025 de koers voor de komende jaren bepaald via ons nieuwe Instellingsplan voor de periode van 2026 tot 2030. Een andere belangrijke transitie betrof de vorming van onze nieuwe Faculteit der Sociale en Geesteswetenschappen waarmee we onze krachten bundelen om beter in te kunnen spelen op de behoefte van onze studenten en de maatschappij.
Ook financieel gesproken is 2025 een jaar van transitie geweest, want de bezuinigingen door de overheid dwingen ons om extra kritisch te kijken naar de kosten van zowel de primaire processen als van de ondersteuning. Hiervoor loopt een bijsturingsoperatie waarin we ons richten op het bereiken van een evenwichtige begroting in 2028, met een sterk sociaal plan dat gericht is op de ondersteuning van de medewerkers. Het geleidelijk doorvoeren van de maatregelen helpt ons om de kwaliteit van ons onderwijs en onderzoek te waarborgen en de werkdruk beheersbaar te houden. Daarmee blijven we als Vrije Universiteit voldoende weerbaar op in te kunnen spelen op ontwikkelingen als de toenemende digitalisering en globalisering en veranderingen in de samenstelling en wensen van onze studentenpopulatie. Ook financieel blijven we voldoende weerbaar door de bijsturing geleidelijk te absorberen en gebruik te maken van de buffers binnen onze eigen reserves.
Het jaar 2025 is het eerste jaar van uitvoering het financiële bijsturingsprogramma. Alle faculteiten en diensten hebben een opdracht ontvangen voor hun aandeel in de VU-taakstelling en hebben plannen ontwikkeld om die opdracht in te vullen. Die plannen bestaan in de regel uit een mix van maatregelen om de kosten te beheersen en om de inkomsten te vergroten. Zo kijken de diensten naar mogelijkheden om hun processen te optimaliseren met de focus op wat de VU en de faculteiten echt nodig hebben voor de komende jaren. Minder urgente activiteiten worden afgebouwd of hiervoor wordt alternatieve financiering gezocht. Faculteiten kijken in hun onderwijs naar mogelijkheden om hun onderwijsportfolio te optimaliseren en naar mogelijkheden om extra inkomsten te genereren, zowel via de 1e geldstroom (aantrekkelijker onderwijsaanbod) als via de 2e en 3e geldstroom. Parallel aan de ontwikkeling van deze inhoudelijke maatregelen wordt bij alle eenheden een prudent vacaturebeleid gevolgd.
Omdat de faculteiten meer tijd nodig hebben om hun bijsturingsmaatregelen uit te werken – dat geldt met name voor de maatregelen die direct raken aan het onderwijs- en onderzoeksproces – valt het zwaartepunt van hun bijsturingsopdracht in de jaren na 2025. Zorgvuldigheid gaat hier boven snelheid en dat is de reden waarom de VU in het Jaarplan 2025 een tekort heeft begroot van €22,3m. Dat tekort past binnen een meerjarenbegroting waarin vanaf 2028 weer een positief exploitatieresultaat wordt gerealiseerd, en waarbij de belangrijkste financiële kengetallen binnen acceptabele marges blijven.
In 2025 heeft de VU uiteindelijk een resultaat behaald van € 3,0m negatief en dat is € 19,3m beter dan begroot. In het resultaat over 2025 zitten ook een aantal incidentele posten die bij elkaar een impact van € 7,1m negatief hadden op het resultaat. Als we deze incidentele posten buiten beschouwing laten, komt het genormaliseerde VU-resultaat uit op € 4,1m positief, ofwel (afgerond) € 26,4m beter dan begroot.
Er zijn meerdere factoren die verklaren waarom we per saldo € 26m hoger uitkomen dan begroot. Zo zijn onze inkomsten hoger dan verwacht in het Jaarplan. Dit betreft zowel de 1e geldstroom (rijksbijdrage + collegegelden) als de baten werk voor derden. De meevallers in de 1e geldstroom hangen onder meer samen met de hogere toewijzing voor werkdruk en talentbeleid (€ 4,7m), de hogere collegegeldontvangsten (€ 2,5m), het niet hoeven aanwenden van de buffer die was gevormd in het kader van de financiële bijsturing (€ 4,7m) en hogere rentebaten.
Het resultaat van de eenheden komt bijna € 10m hoger uit dat begroot; voor de faculteiten bedraagt de afwijking € 6,7m positief en voor de diensten € 3,1m positief. Het algemene beeld is dat de faculteiten en de diensten de maatregelen uitvoeren zoals voorgenomen in de bijsturingsplannen en daarbij terughoudend zijn met uitgaven en met invulling van vacatures. De diensten lopen in pas met hun bijsturingsopgave en de faculteiten lopen met name door het terughoudend uitgavenpatroon in 2025 voor op hun bijsturingsopgave. Het vroegtijdig anticiperen op de bijsturingsopgave geeft vertrouwen dat ook het resterende deel van de bijsturingsopgave zal worden gerealiseerd. Daarvoor werken de faculteiten niet alleen aan plannen om de uitgaven nog verder te beheersen, maar ook aan plannen om de inkomsten te vergroten.
Bij de faculteiten vallen de inkomsten uit het werk voor derden in 2025 aanzienlijk hoger uit dan begroot. Dat komt mede omdat deze inkomsten door een aantal faculteiten te conservatief was begroot.
Naast de meevallende inkomsten zien we ook meevallers in de ontwikkeling van de lasten, zowel bij de faculteiten als bij de diensten. Het prudente vacaturebeleid zorgt voor een daling van de gemiddelde personele bezetting. Ook zien we dat actief bijsturing plaatsvindt op de overige instellingslasten en er is sprake van meevallers in onder meer de energielasten.
In de paragrafen Resultaat 2025 tot en met Treasury wordt het resultaat 2025 verder toegelicht. Daarbij wordt in de paragraaf Resultaat 2025 toegelicht welke factoren en omstandigheden hebben geleid tot dit resultaat en wordt in de paragraaf Analyse baten en lasten een toelichting gegeven per baten- en kostencategorie (‘analyse kosten en baten’). In de paragraaf Treasury wordt het resultaat 2025 vanuit treasury perspectief toegelicht, inclusief de ontwikkeling van de financiële ratio's van de VU.
In de continuïteitsparagraaf wordt de blik vooruit gericht op basis van de meerjarenbegroting bij het Jaarplan VU 2026. In de continuïteitsparagraaf wordt ook de verwachte impact geschetst van de dalende studentenaantallen.
In hoofdstuk 9 is de rapportage opgenomen over de middelen die met een bijzonder bestedingskenmerk aan de VU zijn toegewezen. Hieronder verstaat de VU de kwaliteitsgelden voor onderwijs, de middelen voor starters- en stimuleringsbeurzen, de sectorplangelden en de extra middelen voor studentwelzijn. In de regel veroorzaken deze middelen geen resultaatseffecten, omdat ze zijn toegewezen als niet normatieve rijksbijdrage. Dat geldt niet voor de kwaliteitsgelden onderwijs, omdat deze onderdeel zijn van de lumpsum bekostiging. De relevante financiële mutaties op deze kwaliteitsgelden worden toegelicht in hoofdstuk 9.