Mijn Verslag

8.4 Continuïteitsparagraaf

Algemeen

In deze paragraaf wordt conform de Regeling jaarverslaggeving Onderwijs (RJO) inzicht gegeven in het verwachte exploitatieresultaat in de komen de jaren (2026-2030) en de ontwikkeling van de vermogenspositie. De gegevens zijn, tenzij anders vermeld, gebaseerd op het Jaarplan VU 2026. De in deze continuïteitsparagraaf (CP) opgenomen cijfers betreffen de geconsolideerde cijfers van de Stichting VU (inclusief de VU Holding BV). Het Jaarplan is mede gebaseerd op de jaarplannen van de faculteiten en diensten, en geeft aan hoe de inhoudelijke ambities op basis van de VU-strategie zullen worden gerealiseerd binnen het beschikbare financiële meerjarenkader. De jaarplannen van de faculteiten en diensten zijn besproken in de ronde bestuurlijke overleggen van najaar 2025.

Strategie VU 2020-2026

In het nieuwe Instellingsplan 2026 – 2030 met als missie ‘vrije denkers voor mens, samenleving en planeet’ wordt de koers van de Vrije Universiteit voor de komende jaren uiteengezet. Die koers is helder: met wereldburgerschap als grondhouding werkt de Vrije Universiteit aan duurzaam en rechtvaardig onderwijs, een open en toegankelijke wetenschap en zichtbare maatschappelijke impact. Binnen dat kader worden gerichte keuzes gemaakt in het opleidingsaanbod, wordt het inter- en intradisciplinaire onderzoek versterkt en wordt vorm gegeven aan een valorisatie met en voor de samenleving.

Hierbij wordt verder gebouwd op wat er staat. In de hoofdstukken 1 tot en met 4 van dit Jaarverslag wordt aangegeven wat er in 2025 is bereikt en waar de VU inhoudelijk eind 2025 staat. In het Jaarplan 2026 wordt aangegeven welke stappen de VU in 2026 wil maken in het kader van de strategie. Er zal worden gewerkt aan een opleidingsaanbod dat meer studenten aantrekt, waarbij ook nadrukkelijk aandacht voor een Leven Lang Ontwikkelen (LLO). De VU bereidt zich voor op de Instellingstoets Kwaliteitszorg (ITK) en zal A Broader Mind en wereldburgerschap meer plek geven in het curriculum. In het onderzoek zal de samenwerking in teams en consortia worden versterkt via dynamische netwerken. Ook zal worden gewerkt aan een verhoging van de inkomsten. In valorisatie zal het pad van ‘idee’ naar ‘toepassing’ worden versterkt zodat kennis sneller zijn weg vindt naar de praktijk.

Bij dit alles staan de mensen en de VU-gemeenschap centraal. Dit betekent dat er blijvend zal worden gewerkt aan sociale veiligheid samenwerking, dialoog en Erkennen en Waarderen. De kwaliteit en de werkdruk zal voortdurend worden bewaakt, waarbij ondersteuning zal worden geleverd wanneer nodig. De lessen uit het verbetertraject VUture zullen daarbij helpen.

Financieel meerjarenperspectief 2026-2030

Financieel ligt de grootste uitdaging voor de VU in het kunnen realiseren van voornoemde beleidsambities in een periode waarin de financiële krapte toeneemt door afnemende studentenaantallen en bezuinigingen door de overheid. Om ook financieel goed op koers te blijven loopt er uitgebreid bijsturingsprogramma, dat er op is gericht dat de VU in 2028 en verdere jaren weer een positief resultaat op de exploitatiebegroting gaat realiseren. Dat programma loopt op schema en wordt hierna verder toegelicht.

In lijn met de geconsolideerde meerjarenbegroting uit het Jaarplan 2026 gaat de VU uit van de volgende ontwikkeling van het meerjarenresultaat over de periode 2026 - 2030:

Naar verwachting zal de VU in 2028 en verdere jaren weer een positief exploitatieresultaat kunnen realiseren. Uitgangspunt is dat het resultaat rond de € 8m per jaar zal uitkomen. Dat is iets minder dan de geformuleerde taakstelling voor de lange termijn om een positief begrotingsresultaat van 1,5% te realiseren ten opzichte van de totale baten. Daarvoor zou het jaarlijkse resultaat rond € 12m positief moeten uitkomen. Gelet op de grote inspanningen die in de komende jaren van de eenheden nodig zijn om bij te dragen aan de prioriteiten van de VU-strategie én om het resterende deel van de financiële bijsturingsopdracht te realiseren, is dit target van € 12m positief nog niet haalbaar binnen de planningshorizon van de huidige meerjarenbegroting.

Met deze meerjarenbegroting blijft de VU binnen de financiële ratio’s zoals vastgelegd via convenanten met de banken. De primaire signaleringsgrenzen van de Onderwijsinspectie blijven binnen de gestelde normen dan wel signaleringsgrenzen in de periode 2026 – 2030.

De begroting 2026 laat een tekort van € 5,2 m zien, wat hoger is dan het tekort van € 3,0 m in de realisatie over 2025. Ten opzichte van de begroting 2025 betekent dit een verbetering in het resultaat van € 19,3m, van een begroot tekort 2025 van € 22,3m naar een tekort van € 5,2m over 2026. Dat beeld is ook gunstiger dan de verwachting volgens de Kadernota 2026 (verwacht tekort 2026 van € 13,1m). Deze verbetering is naast een aantal externe meevallers (deels incidenteel en deels structureel) ook het gevolg van positievere begrote resultaten bij de decentrale eenheden. Hierbij zet de verbetering die zichtbaar was in de realisatie 2025 zich door naar de decentrale begrotingen voor 2026. Dit voorjaar zal in samenspraak met de eenheden worden bepaald in hoeverre de definitieve realisatiegegevens over 2025 aanleiding geven om de verwachtingen voor 2026 en verder nog verder bij te stellen. Het resultaat dat in 2025 is ontstaan op het centrale deel van de VU-begroting leidt in beginsel niet tot een bijstelling van de meerjarenbegroting. De factoren die hebben geleid tot het hogere resultaat in 2025, bijvoorbeeld de keuze om de W&T-middelen in te zetten ter verzachting van lopende bezuinigingen en de keuze om de buffer in de bijsturing in te zetten als beleidsmiddelen voor de implementatie van het Instellingsplan, zijn al als uitgangspunt meegenomen in het Jaarplan 2026 en achterliggende meerjarenbegroting.

De verwachting is dat met name de verbeteringen in het resultaat van de faculteiten een tijdelijk karakter hebben, en niet structureel doorwerken. Het resultaat van de faculteiten komt na 2026 extra onder druk te staan vanwege de daling van de studentenaantallen. Daarnaast gold al dat de faculteiten hun grootste aandeel in de financiële bijsturing zouden gaan leveren in 2027 en 2028. Hiervoor is juist in de meerjarenbegroting ruimte ingebouwd om de faculteiten meer ruimte te geven om hun plannen uit te werken. Zorgvuldigheid gaat hier boven snelheid, zodat er voldoende aandacht kan zijn voor de continuïteit in onderwijs en onderzoek (inclusief ondersteuning) en voor het beheersbaar houden van de werkdruk. Bij een aantal faculteiten zullen, zeker gezien de tegenvallende instroomcijfers, nog aanvullende plannen dienen te worden uitgewerkt om tot een structureel sluitende begroting te komen voor de jaren 2028 en volgend. Het gesprek daarover is gaande met de betreffende faculteiten.

Bij het opstellen van de meerjarenbegroting is rekening gehouden met de laatste inzichten omtrent de ontwikkeling van studentaantallen, de overheidsmaatregelen inzake internationalisering en andere relevante externe omstandigheden. Op basis van de situatie eind 2025 was er geen aanleiding voor een VU-brede aanpassing van de taakstelling tot financiële bijsturing. Daarbij gold en geldt nog steeds, dat het onzeker is wat de financiële impact van de plannen van het kabinet Jetten zal zijn voor het budget van de VU. Daarop is nog geen voorschot genomen in deze continuïteitsparagraaf.

De ontwikkeling van de studentenaantallen heeft in het kader van de meerjarenbegroting extra aandacht. De instroom voor het studiejaar 2025/2026 is tegengevallen. Met name in de bachelorfase daalt de instroom aan Nederlandse studenten bij de VU harder dan wat op louter demografische ontwikkelingen zou mogen worden verwacht. Via een speciale Task Force wordt in kaart gebracht wat de oorzaken zijn van deze daling en welke acties kunnen worden ondernomen om de instroom weer op peil te krijgen. Financieel betekent de ontwikkeling van de instroom dat de aantallen studenten voor het jaar 2025/2026 iets lager uitkomen dan waarmee in het Jaarplan 2026 rekening is gehouden. De structurele impact hiervan op de meerjarenbegroting VU is vooral afhankelijk van de ontwikkeling van de instroom voor de studiejaren 2026/2027 en verder. Hiervoor zijn een aantal financiële scenario’s uitgewerkt die kunnen worden samengevat in de volgende grafiek:

De grafiek laat zien wat het effect van de verschillende scenario’s is op het VU resultaat (onder gelijkblijvende omstandigheden). Hiervoor is uitgegaan van de verwachte impact op de rijksbijdrage VU en op de ontvangsten aan collegegeld. De scenario’s hebben betrekking op de verwachte impact van de instroom van Nederlandse studenten die het wettelijk collegegeld betalen (bachelor en master). Voor de prognose van het aantal internationale studenten (EER en niet-EER) is aangesloten op de uitgangspunten voor het Jaarplan, die prognose blijft ongewijzigd.

De blauwe lijn is de ontwikkeling van het VU-resultaat volgens de meerjarenbegroting Jaarplan 2026, ofwel de basis voor het opstellen van deze continuïteitsparagraaf. Het middenscenario (gele lijn) gaat uit van handhaving van het marktaandeel VU in de instroom aan Nederlandse studenten op niveau 2025/2026. Dit scenario wordt vooralsnog als het meest realistisch en het meest haalbaar ingeschat. In dit scenario daalt het resultaat in 2027 en verder onder het niveau van de huidige meerjarenbegroting, maar blijft een nulbegroting vanaf 2028 haalbaar. De inspanningen van de eerdergenoemde Task Force zijn erop gericht om ten minste dit niveau aan instroom te realiseren. Het scenario is inpasbaar binnen de huidige meerjarenbegroting zonder een verhoging van de taakstelling tot financiële bijsturing. Het worst case scenario (de rode lijn) laat zien wat er financieel kan gebeuren als het marktaandeel VU in het studiejaar 2026/2027 nog een zakt met hetzelfde percentage als voor studiejaar 2025/2026. Zonder bijsturing zou dat leiden tot weer een negatieve begroting in 2029 met een oplopend tekort. Mocht dit scenario zich gaan aftekenen, dan zal er via het Jaarplan 2027 verder moeten worden gestuurd op reductie van kosten of verhoging van de overige baten (hogere bijsturingsopdracht). Het Best Case scenario laat het extra financieel potentieel zien van herstel van het marktaandeel VU naar het niveau van het studiejaar 2024/2025. In dit scenario is er vanaf 2028 uitzicht op een structureel surplus bovenop de huidige meerjarenbegroting van de VU. Dat zal niet vanzelf gaan en vraagt om investeringen in voorlichting en werving en in ontwikkeling van een aantrekkelijk en relevant onderwijsaanbod.

Voor de Kadernota 2027 zullen de scenario’s verder worden uitgewerkt. Daarbij ligt de focus op de verdere uitwerking van het middenscenario, zowel wat betreft verfijning van de prognose van het aantal instromende en doorstromende studenten als van de maatregelen die nodig zijn om de instroom op niveau te kunnen houden. In de Kadernota 2027 zullen ook de overige verwachtingen ten aanzien van de ontwikkeling rijksbijdrage worden geactualiseerd, zoals de financiële impact van het Coalitieakkoord, de verwerking van de loon- en prijsmaatregelen en van de Referentieraming 2026. De huidige signalen duiden op een beperkte neerwaartse bijstelling op basis van de Referentieraming die past binnen het hiervoor toegelichte middenscenario.

Bijsturing

Financiële bijsturing

In 2025 is door alle eenheden ingezet op de bijsturingsopgave. Ten opzichte van de begroting van 2024 was de bijsturingsdoelstelling in 2025 bijna € 26m. Dit is ruim behaald[1] en gerealiseerd door een kostenverlaging van ruim € 25m en een batenverhoging van € 5m. De komende jaren verschuift de taakstelling, zeker voor de faculteiten, van kosten verlagen naar baten verhogen. Faculteiten geven aan dat over het algemeen de resultaatsverbetering het gevolg is van incidentele effecten. Er lijkt nog onvoldoende sprake te zijn van structurele wijzigingen in de organisatie die de het hogere batenniveau en het lagere kostenniveau bestendigen.

Vier van de negen diensten hebben een negatief resultaat in 2025. Als geheel hebben de diensten een positief resultaat als gevolg van het positieve resultaat bij IT en bij FCO. Daarnaast is er sprake van een onderbesteding op uitgedeelde beleidsmiddelen voor projecten, deze onderbesteding draagt bij aan het positieve resultaat van de diensten. Bij alle diensten is er sprake van een evenwicht tussen zowel incidentele als structurele effecten.

Het doel van de financiële bijsturing, een sluitende begroting in 2028 op VU niveau blijft in zicht, zij het dat de verschillen tussen verschillende faculteiten en diensten nog groot zijn.

Bijsturingsplannen

Alle eenheden hebben in 2025 een bijsturingsplan opgesteld en afgestemd met de lokale medezeggenschap. Bij twee eenheden mondde dit uit in een beperkt aantal gedwongen ontslagen (totaal 5,5 fte). Het voorgenomen besluit tot reorganisatie van de afdeling Aardwetenschappen van de BETA faculteit is in het najaar door het college van bestuur teruggetrokken, nadat bleek dat werkveldpartijen een substantiële bijdrage kunnen leveren aan het in stand houden van de afdeling. Een beperkt reorganisatieplan voor de afdeling wordt nu voorbereid. Hierbij zijn gedwongen ontslagen niet te vermijden. In december 2025 besloot het CvB tot een reorganisatie van de afdeling Communicatie & Marketing. De medezeggenschap was nauw aangehaakt op de planvorming en de uitwerking en adviseerde positief. De reorganisatie kreeg beslag in maart 2026.

Voor het Centrum voor Internationale Samenwerking (CIS) besloot het CvB in maart 2026 tot uitwerking van het scenario “Opheffen CIS als afdeling”, in een reorganisatieplan. Besluitvorming over dit plan vindt plaats voor de zomer van 2026. Het reorganisatieplan wordt bekeken in samenhang met o.a. het internationaliseringplan.

In alle overige bijsturingsplannen is (nog) geen sprake van gedwongen ontslagen. De voortgang op de bijsturing wordt gemonitord in de reguliere, periodieke rapportages. Alle bijsturingsplannen zijn gedeeld met de centrale medezeggenschap.

Effecten in de organisatie

Alle faculteiten en diensten hebben in hun rapportage over 2025 een korte reflectie gegeven over het effect van de maatregelen op hun eenheid en op de VU als geheel. Duidelijk is dat niet alles ‘vanzelf’ gaat. De vanzelfsprekendheid dat alles overal kan, wordt minder. Dit vergt aandacht en zorgvuldige communicatie. Tegelijkertijd is er over het algemeen begrip voor de bijsturing. De urgentie wordt gevoeld en er is begrip is voor de maatregelen die genomen worden. In de hele organisatie is het kostenbewustzijn toegenomen.

Zowel binnen de faculteiten als binnen de diensten is en blijft er aandacht voor en sturing op werkdruk. Via jaarlijkse Werkbelevingsonderzoeken wordt zicht gehouden op de ervaren werkdruk in teams en afdelingen. Bij de diensten blijft de kwaliteit van dienstverlening onderwerp van gesprek.

Meerjarenbegroting en -balans 2025-2030

Staat van baten en lasten (geconsolideerd)

Realisatie

Begroting

Raming

Raming

Raming

Raming

(bedragen x €m)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

BATEN

Rijksbijdrage

551,8

556,7

544,8

537,2

523,5

523,3

Overige overheidsbijdragen en subsidies

1,2

1,3

1,3

1,3

1,3

1,3

College-, cursus- en/of examengelden

97,6

100,3

99,5

98,7

97,8

96,1

Baten werk voor derden

112,7

115,6

116,1

117,6

118,8

118,5

Overige baten

64,1

68,7

72,3

72,7

75,3

75,0

Totaal Baten

827,4

842,6

834,0

827,5

816,7

814,2

LASTEN

Personele lasten

562,2

578,3

569,1

553,3

544,2

542,1

Afschrijvingslasten

76,8

64,7

67,1

68,0

68,4

67,7

Huisvestingslasten

56,1

58,8

58,3

59,0

59,8

60,8

Overige Lasten

126,5

135,7

136,7

130,5

128,6

127,9

Totaal Lasten

821,6

837,5

831,2

810,8

801,0

798,5

Saldo baten en lasten

5,8

5,1

2,8

16,7

15,7

15,7

Financiële baten en lasten

-9,3

-10,6

-10,3

-9,3

-8,2

-7,6

Bijzondere posten en posities

0,4

-

-

-

-

-

Resultaat deelnemingen

-

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Bij: budgettaakstelling

-

-

-

-

-

-

Exploitatieresultaat

-3,1

-5,1

-7,1

7,8

7,9

8,5

Balans (geconsolideerd)

Realisatie

Begroting

Raming

Raming

Raming

Raming

(bedragen x €m)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

ACTIVA

Vaste activa

Immateriële vaste activa

11,8

20,2

17,0

15,4

12,2

9,7

Materiële vaste activa

727,6

772,5

783,1

724,4

689,3

709,1

Financiele vaste activa

8,4

7,8

7,8

7,8

7,8

7,8

Totaal vaste activa

747,8

800,5

807,9

747,6

709,3

726,6

Vlottende activa

Voorraden

0,8

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

Vorderingen

55,9

59,7

59,7

59,7

59,7

59,7

Liquide middelen

225,8

151,4

94,2

119,3

128,4

88,4

Totaal vlottende activa

282,5

211,8

154,6

179,7

188,8

148,8

Totaal activa

1.030,3

1.012,3

962,5

927,3

898,1

875,4

PASSIVA

Eigen vermogen

Algemene reserve

335,3

322,4

318,4

327,9

339,1

350,2

Bestemmingsreserve sectorgelden

1,6

-

-

-

-

-

Private bestemmingsreserve

1,1

1,8

1,8

1,8

1,8

1,8

Private bestemmingsfonds

0,1

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

Wettelijke reserve ontwikkeling software

9,8

18,2

15,0

13,4

10,2

7,7

Totaal eigen vermogen

347,9

342,7

335,5

343,4

351,4

360,0

Voorzieningen

44,7

45,3

45,3

45,3

40,3

40,3

Langlopende schulden

267,5

280,0

248,9

217,9

186,8

155,8

Kortlopende schulden

370,2

344,3

332,8

320,7

319,6

319,3

Totaal passiva

1.030,3

1.012,3

962,5

927,3

898,1

875,4

Studentenaantallen

30.740

30.048

29.353

28.781

28.325

27.911

Ontwikkeling Rijksbijdrage

De ontwikkeling van de rijksbijdrage VU conform het Jaarplan VU 2026 wordt als basis gehanteerd voor de continuïteitsparagraaf.

In het Jaarplan is voor 2026 uitgegaan van een Rijksbijdrage VU van € 552,2m, waar in de kadernota van € 544m werd uitgegaan. Van het bedrag van € 552m heeft € 542,5m betrekking op de rijksbijdrage die direct van OCW wordt ontvangen. In de Kadernota was de verwachting dat dit bedrag € 539,5 zou bedragen. De verbetering met € 3,0 m hangt voornamelijk samen met een eenmalige meevaller van € 3,5m in verband met de toevoeging ‘oploop kwaliteitsgelden’. Voor de jaren 2027 e.v. is nog niet duidelijk hoe OCW met deze post om zal gaan. Daarnaast heeft OCW besloten het restant van de internationaliseringskorting bijna volledig aan de universiteiten toe te rekenen, wat een tegenvaller is. Het effect voor 2026 is beperkt, namelijk € 0,6m, maar de impact voor de VU loopt op tot structureel circa € 3m vanaf 2029. In het bedrag van € 542,5 is rekening gehouden met een voorschot op de loonruimte 2026 van € 10m ter dekking van de doorlopende verplichtingen uit de huidige cao. Het bedrag exclusief voorschot loonruimte 2026 (€ 532,5) sluit aan de op de 1e begrotingsbrief OCW voor 2026.

Van de totale rijksbijdrage VU voor 2026 is € 542,5m direct te ontvangen via OCW, € 3,8m via AUC, € 2,2m via MHE en €2,3m via de joint degrees.

In de meerjarenbegroting Jaarplan 2026 is geanticipeerd op de impact van de Wet Internationalisering in Balans en van de Referentieraming 2025. Daarbij is niet alleen gekeken naar de directe budgettaire impact op de rijksbijdrage VU, maar ook naar de ontwikkeling van de verwachte studentenaantallen en de impact daarvan op de rijksbijdrage en de collegegelden. De ontwikkeling van de studentenaantallen wordt nauwgezet gemonitord, waarbij mede gebruik wordt gemaakt van scenario-analyses, zie de voorgaande toelichting in dit hoofdstuk.

Ontwikkeling Collegegelden

Meerjarenbegroting Collegegelden

Begroting 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

Raming 2030

Collegegelden

100,3

99,6

98,7

97,7

96,1

Totaal Jaarplan 2026

100,3

99,6

98,7

97,7

96,1

Bovenstaande cijfermatige weergave van de baten uit collegegelden is ontleend aan het Jaarplan 2026. In de paragrafen hieronder wordt tekstueel aangegeven welke ontwikkelingen de VU verwacht ten opzichte van deze meerjarenopstelling.

Inschrijvingen

In aanloop naar de Kadernota 2027 zijn in januari 2026 drie scenario’s ontwikkeld voor de instroom en inschrijvingen. Scenario ‘best case’ gaat uit van het terugwinnen van marktaandeel tot het niveau van 2024, scenario ‘worst case’ gaat uit van weer een daling van het marktaandeel, scenario ‘midden’ gaat uit een min of meer constant marktaandeel.

In absolute zin daalt in alle drie de scenario’s het aantal studenten ten opzichte van het aantal in de begroting 2026. We opereren in een krimpende markt. Voor de kadernota 2027 gaan we uit van het ‘middenscenario’. De studentaantallen worden geprognosticeerd op basis van een combinatie van aanmeldingen en historische uitval/uitstroom gegevens. Daarna worden de prognoses verrijkt met beleidsbeslissingen (opheffen numerus fixus, wijziging aanmeldeisen, marcom inspanningen etc).

Wettelijke collegegelden

De groep studenten die wettelijk collegegeld betaalt, bestaat grofweg uit twee delen: Nederlandse studenten en studenten uit de EER. Het aantal 18-jarigen in Nederland daalt. De instroom en inschrijvingen uit de EER staan onder druk als gevolg van het wetsvoorstel Wet Internationalisering in Balans. Weliswaar is de TAO (toets anderstalige opleidingen) van tafel, er zijn nog steeds afspraken in de sector over het controleren van het aantal studenten van buitenlandse afkomst.

In het middenscenario dalen de baten uit wettelijk collegegeld van ongeveer € 67m (begroting 2026) naar € 61m (inschatting 2030 middenscenario).

Instellingscollegegelden

Studenten van buiten de EER en studenten die reeds een graad behaald hebben, betalen het instellingscollegegeld. In absolute aantallen gaat het nu om ongeveer 2.000 studenten. Omdat het collegegeld voor deze studenten ruim € 10.000,- per jaar hoger ligt dan het tarief voor wettelijke collegegelden – in het tarief voor ICG moet immers de rijksbijdrage meegenomen worden – hebben kleine schommelingen in aantallen relatief grote financiële consequenties. Er is voor deze groep toch een stijging zichtbaar in de baten omdat een aantal ICG studenten nu (in 2026) nog het overgangstarief betalen. Die groep faseert uit in 2028/2029.

In het middenscenario stijgen de baten uit instellingscollegegeld van ongeveer € 24m (begroting 2026) naar € 28m (inschatting 2030 middenscenario).

Overige inkomsten

Als er minder ICG-studenten zijn, zullen er ook iets lagere baten zijn uit de fee die internationale ICG studenten betalen. Dit is nog niet meegenomen in de scenario’s.

Joint degrees

De baten uit joint degree opleidingen zullen schommelen met de studentaantallen. Er zijn geen wijzigingen in penvoerderschappen voorzien.

Ontwikkeling baten werk voor derden

BATEN WERK DERDEN

Realisatie

Begroting

Begroting

Raming

Raming

Raming

Raming

(bedragen x €m)

2025

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Baten werk voor derden

112,7

99,9

115,6

116,1

117,6

118,8

118,5

Totaal

112,7

99,9

115,6

116,1

117,6

118,8

118,5

Bij het opstellen van de begroting voor 2026 zien de vooruitzichten voor de baten werk voor derden er goed uit. Ondanks dat de verwachting bestaat dat het voor onderzoekers moeilijker is geworden om projecten binnen te halen en alle universiteiten worden geraakt door de bezuinigingen van het kabinet, wordt er toch een lichte stijging op de baten 2e en 3e geldstroom verwacht. Er is dan ook een licht stijgende lijn te zien met een begroot bedrag van € 115,6m in 2026 tot € 118,5m in 2030.

Ontwikkeling overige baten

OVERIGE BATEN

Realisatie

Begroting

Begroting

Raming

Raming

Raming

Raming

(bedragen x €m)

2025

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Overige baten

64,1

59,7

68,7

72,3

72,7

75,3

75,0

Totaal

64,1

59,7

68,7

72,3

72,7

75,3

75,0

De overige baten bestaan uit een breed scala van doorberekeningen en opbrengsten die over het algemeen geen primaire onderwijs- of onderzoeksprestaties betreffen. De geraamde baten laten een licht stijgende trend zien vanaf 2025.

De voor 2026 begrote overige baten komen uit op € 68,7m. Als gekeken wordt naar de ontwikkeling in de begroting van 2026 tot 2030 dan nemen de overige baten toe met een bedrag van € 6,3m. Deze stijging wordt met name veroorzaakt door een stijging van de overige baten bij de Bèta-faculteit. Dit is vooral het gevolg van aanpassingen in een later stadium van de begrotingen voor de loonkosten en ook de overige baten van Aardwetenschappen en informatica.

Ontwikkeling personele lasten en fte’s

PERSONELE LASTEN

Realisatie

Begroting

Begroting

Raming

Raming

Raming

Raming

(bedragen x €m)

2025

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Totale personele lasten Stichting VU geconsolideerd

562,2

550,0

578,3

569,1

553,3

544,2

542,1

Af: lasten Vumc

-64,5

-61,2

-59,2

-59,6

-59,7

-59,3

-59,0

Af: lasten AUC

-4,7

-4,4

-4,7

-4,7

-4,7

-4,7

-4,7

Af: lasten Overige verbonden partijen (VU Holding)

-2,1

-2,0

-2,0

-2,0

-2,0

-1,9

-1,8

Personeelslasten VU excl. Vumc, AUC, VU Holding

490,9

482,4

512,4

502,8

486,9

478,3

476,6

Waarvan:

Personeel niet in loondienst

21,8

17,0

16,0

15,4

15,1

14,5

14,5

Overige personele lasten

16,9

19,8

27,1

28,2

27,8

23,4

23,5

Formatiebudgetten

452,3

445,6

469,3

459,2

444,0

440,4

438,6

Totaal personeelslasten VU excl. Vumc, AUC, VU Holding

491,0

482,4

512,4

502,8

486,9

478,3

476,6

FORMATIE PERSONEEL

Realisatie

Begroting

Begroting

Raming

Raming

Raming

Raming

(FTE aantallen)

2025

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Totaal formatie*

4.626

4.743

4.655

4.530

4.427

4.359

4.310

WP

2.642

2.662

2.610

2.497

2.422

2.374

2.339

OBP

1.984

2.081

2.045

2.033

2.005

1.985

1.971

*Waarvan Bestuur/Management

19

19

18

18

18

18

18

Percentage WP

0,6

0,6

0,6

0,6

0,5

0,5

0,5

Percentage OBP

0,4

0,4

0,4

0,4

0,5

0,5

0,5

GEMIDDELDE LASTEN PER FORMATIEPLAATS

Realisatie

Begroting

Begroting

Raming

Raming

Raming

Raming

(bedragen x €k)

2025

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Gemiddelde kosten per formatieplaats (in k€)

97,8

93,9

100,8

101,4

100,3

101,0

101,8

In de begroting 2026 wordt uitgegaan van een totale formatie van 4.655 fte. Dit niveau ligt lager dan de voor 2025 begrote formatie, maar hoger dan de gerealiseerde formatie in 2025. Het verschil ten opzichte van de realisatie 2025 heeft betrekking op het ondersteunend personeel en hangt samen met een aanpassing in de administratieve verantwoording van studentassistenten. Vanaf 2026 worden studentassistenten als Ondersteunend personeel opgenomen i.p.v. als wetenschappelijk personeel. De formatie wetenschappelijk personeel (WP) laat meerjarig per saldo een lichte afname zien. De formatie voor bestuur en management blijft over de gehele ramingsperiode stabiel.

Tot en met 2030 daalt de totale formatie met 7% ten opzichte van de begroting 2026. De formatie voor het wetenschappelijk personeel (WP) laat over de gehele periode per saldo een afname zien[2]. Voor de diensten is in 2026 eerst nog sprake van een groei van de formatie met circa 2% ten opzichte van 2025. Deze groei is tijdelijk en hangt samen met de ambitie van IT om inhuur te vervangen door personeel in dienst. Vanaf 2027 zet ook bij de diensten een dalende lijn in, resulterend in circa 4% minder fte’s in 2030 ten opzichte van begrotingsjaar 2026.

Met eventuele toekomstige verhogingen van cao en sociale lasten vanaf is in de meerjarenbegroting nog geen rekening gehouden. Hiervoor zal in de Rijksbijdrage naar verwachting een compensatie worden ontvangen, deze compensatie is ook niet opgenomen in de meerjarenbegroting. De gemiddelde kosten per formatieplaats bedragen in 2025 € 97,8k. In de ontwikkeling van de GPL is vanaf 2026 een licht stijgende lijn zichtbaar.

In de meerjarenraming dalen de lasten voor ingehuurd personeel verder naar een stabiel niveau van circa € 14,5m. Gezien de realisatie 2025 is het echter de vraag of deze beoogde afbouw volledig realiseerbaar is.

Ontwikkeling huisvestings- en afschrijvingslasten

LASTEN

Realisatie

Begroting

Begroting

Raming

Raming

Raming

Raming

(bedragen x €m)

2025

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Afschrijvingslasten

76,8

64,6

64,7

67,1

68,0

68,4

67,7

Huisvestingslasten

56,1

48,0

58,8

58,3

59,0

59,8

60,8

Totaal

132,9

112,6

123,5

125,4

127,0

128,2

128,5

De afschrijvingslasten blijven in 2026 stabiel op € 64,7m. In 2027 wordt een stijging voorzien naar € 67,1m, voornamelijk als gevolg van hogere afschrijvingen bij Dienst Facilitaire Campus Organisatie door investeringen in de verdere ontwikkeling van de campus. Vanaf 2028 stabiliseren de afschrijvingslasten weer, mede doordat bij enkele organisatieonderdelen (waaronder Communicatie & Marketing) aflopende afschrijvingstermijnen tot een geleidelijke daling van de lasten leiden. Er wordt kritisch gekeken naar de noodzaak van de geplande investeringen en waar mogelijk worden investeringen uitgesteld of wordt ervan afgezien.

Door optimalisering en intensivering van campusgebruik wordt vanaf 2026 in het campusplan 10.000-20.000 m2 vrijgespeeld, dit is noodzakelijk om de noodgedwongen sloop van twee tijdelijke gebouwen op te vangen binnen de huidige gebouwen en ruimte kan blijven bieden aan nieuwe activiteiten en initiatieven. De verwachting bestaat dat de huisvestingslasten de komende jaren geleidelijk zullen stijgen van € 58,8m (begroting 2026) naar € 60,9m in 2030, dit heeft met name te maken met de indexatie op de lasten.

Ontwikkeling overige lasten

OVERIGE LASTEN

Realisatie

Begroting

Begroting

Raming

Raming

Raming

Raming

(bedragen x €m)

2025

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Overige lasten

126,5

136,7

135,7

136,7

130,5

128,6

127,9

Totaal

126,5

136,7

135,7

136,7

130,5

128,6

127,9

In 2025 komen de overige lasten uit op een niveau dat lager ligt dan de begroting voor 2026, mede doordat meerdere eenheden eerder in het jaar hebben bijgestuurd en geplande kosten zijn doorgeschoven naar latere jaren. Dit leidt ertoe dat het uitgangspunt voor 2026 hoger ligt dan de realisatie van 2025. In de doorkijk dalen de overige instellingslasten richting € 127,9m in 2030, waarbij de verlaging van deze lasten door eenheden wordt ingezet als onderdeel van de bredere bijsturingsopgave. De verwachting bestaat dat de lagere overige lasten in 2025 grotendeels incidenteel van aard zijn, hierdoor zal bij het opstellen van het Jaarplan 2027 duidelijk worden of de overige lasten naar beneden kunnen worden bijgesteld in de meerjarenbegroting.

Ontwikkeling financiële baten en lasten

FINANCIËLE BATEN EN LASTEN

Realisatie

Begroting

Begroting

Raming

Raming

Raming

Raming

(bedragen x €m)

2025

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Saldo financiële baten en lasten

-9,3

-10,8

-10,6

-10,3

-9,3

-8,2

-7,6

Totaal

-9,3

-10,8

-10,6

-10,3

-9,3

-8,2

-7,6

De financiële lasten over 2025 komen uit op € 9,3m, wat € 1,5m gunstiger is dan begroot. Deze meevaller ontstaat vooral doordat we minder rente hebben betaald op het deel van de leningenportefeuille zonder renteafdekking. Dat komt door de daling van de korte rente, gecombineerd met een hogere liquiditeitspositie en betere rentevoorwaarden op onze beschikbare middelen. Hierdoor vielen de netto financieringslasten in 2025 lager uit dan vooraf verwacht.

Vanaf 2026 nemen de financieringslasten toe naar € 10,6m, doordat de hoogte van de leningen in dat jaar licht toeneemt. Daarnaast neemt de beschikbare liquiditeit af, waardoor de VU minder creditrente ontvangt dan in eerdere jaren. Dit leidt per saldo tot hogere financieringslasten.

In de jaren daarna dalen de financieringslasten geleidelijk van € 10,3m in 2027 naar € 7,6m in 2030. Deze daling wordt met name veroorzaakt door een afnemend gemiddeld vreemd vermogen, omdat in deze jaren reguliere aflossingen plaatsvinden op de bestaande financieringsfaciliteiten.

Het renterisico gedurende de gehele periode grotendeels afgedekt door middel van rentederivaten, waardoor de VU beperkt gevoelig is voor verdere schommelingen in de marktrente.

Ontwikkeling convenanten

Convenanten banken
In onderstaand overzicht zijn de financiële convenanten (ratio’s) weergegeven zoals die in de financieringsovereenkomsten met de banken zijn opgenomen. De toekomstige ratio’s zijn berekend op basis van de meerjarenbegroting, waarin de laatst beschikbare inzichten uit de investeringsbegroting zijn verwerkt. De geplande trekking onder het bestaande financieringsfaciliteit € 33m medio 2026 is meegenomen in onderstaande cijfers.

  • Solvabiliteit I

  • Loan to value

  • Debt service coverage ratio (DSCR)

De ratio’s blijven in de periode 2025-2030 binnen de met de banken afgesproken convenanten.

Signaleringsgrenzen onderwijsinspectie
In onderstaand overzicht zijn de door de onderwijsinspectie verplichte en facultatieve financiële signaleringsgrenzen die de onderwijsinspectie hanteert weergegeven:

Verplicht:

  • Solvabiliteit II

  • Current ratio

  • Eigen vermogen / normatief eigen vermogen

  • (Absolute omvang liquide middelen)

Facultatief:

  • Rentabiliteit

  • Huisvesting

  • Weerstandsvermogen

Verplichte signaalwaarden:

De solvabiliteitsratio II blijft in de periode 2025-2030 ruim boven de gestelde signaleringsgrens van 30%. De current ratio bevindt zich in 2025 met 0,76 ruim boven de signaleringsgrens van 0,50. De verwachting is dat deze ratio als gevolg van een lager dan verwacht resultaat en lagere liquiditeit de komende jaren zal dalen naar 0,5.

De VU voldoet met een positie aan liquide middelen van € 225,8m ultimo 2025 ruimschoots aan de absolute liquiditeit eis van de onderwijsinspectie van minimaal € 2m. Komend jaar zal er naar verwachting € 33m worden opgenomen onder de bestaande langlopende externe financieringsfaciliteit Daarnaast beschikt de VU over een kredietlijn van € 40m, waardoor er de komende jaren voldoende liquiditeitsruime is.

Het normatief eigen vermogen (EV) geeft de verhouding weer van het zogenaamde normatieve EV ten opzichte van het publieke EV. De ratio is door de onderwijsinspectie ingesteld om het opbouwen van tegoeden te monitoren en waar nodig bij te sturen. De VU blijft ruimschoots onder de grens van 1,0. De ratio zal de komende jaren licht dalen naar 0,36 in 2030 en wordt veroorzaakt door afname van het Eigen vermogen door het verwachte negatieve resultaat in 2026 en 2027.

Facultatieve signaalwaarden:

Het weerstandsvermogen blijft in de periode 2025–2030 ruimschoots boven de vastgestelde signaleringsgrens.

Als gevolg van de geprognotiseerde negatieve resultaten in 2026 en 2027 komt de rentabiliteit op het eigen vermogen in deze jaren uit op een negatief niveau. Vanaf 2028 herstelt de rentabiliteit en stijgt deze naar circa 1%.

De huisvestingsratio van de onderwijsinspectie neemt in 2025 toe, voornamelijk door hogere afschrijvingen. In de daaropvolgende jaren loopt de ratio verder op tot circa 13,2%, als gevolg van het hogere investeringsvolume en de daarmee samenhangende stijging van de afschrijvingslasten.

Investeringen en huisvestingsbeleid

In 2023 heeft de VU in samenwerking met het Amsterdam UMC, locatie VU een masterplan opgesteld als vervolg op het masterplan uit 2011. De campus wordt stapsgewijs vernieuwd zodat bij iedere investeringsbeslissing kan worden bijgestuurd als afwijkende groei-, omzetcijfers of andere omgevingsvariabelen dat vereisen. Om die flexibiliteit te waarborgen wordt de afhankelijkheid tussen verschillende fasen en projecten continu geminimaliseerd. Het masterplan blikt meer dan 15 jaar vooruit en schetst op hoofdlijnen de plannen voor de periode die daarop volgen.

De VU heeft voor de eerste fase van het programma een financieringsarrangement met de Europese Investeringsbank (EIB) afgesloten van € 230m waarvan € 207m is benut. De benodigde investeringen in de eerste fase van het programma zijn voor 50% uit eigen middelen van de VU betaald en 50% met vreemd vermogen. De eerste fase is in 2021 officieel afgesloten met de oplevering van het NU gebouw.

Voor de investeringen in de tweede fase van het campusinvesteringsprogramma is een financieringsarrangement van € 175m afgesloten bij respectievelijk de BNG en de EIB. In 2024 is het bestaande financieringsarrangement verhoogd met € 30m. De initiële investeringen worden volledig gefinancierd met vreemd vermogen. Hierdoor is er voldoende ruimte om de overige investeringen van de tweede fase van het campusinvesteringsprogramma te financieren. Dit betreft onder meer aanvullende investeringen die voortkomen uit eerder gemaakte strategische keuzes over meer facilitering van samenwerking met derden, modernisering van IT-voorzieningen en de energietransitie.

De overige investeringen bestaan verder uit investeringen in onderzoeksinfrastructuur (met name bij faculteiten), kwaliteitsverbetering van onderwijs en onderzoek (bij de diensten) en vervangings- en uitbreidingsinvesteringen in IT-faciliteiten die voor een belangrijk deel samenhangen met de (ver)nieuwbouw en het optimaliseren van de veiligheid.

De VU heeft een meerjareninvesteringsbegroting waarin voldoende beslisruimte en flexibiliteit aanwezig is. De investeringen kennen verschillende fasen met duidelijke ‘go/no go’- en ‘on hold’-momenten. Er zijn geen verplichtingen aangegaan die een kettingreactie van investeringsverplichtingen veroorzaken voor de komende jaren. Per casus kijkt een investeringscommissie kritisch naar nut, noodzaak, rendement, omvang en timing. Op basis van de beschikbaarheid van middelen en de strategie wordt het uiteindelijke besluit genomen om projecten in uitvoering te nemen.

In onderstaande tabel is de actuele meerjareninvesteringsbegroting opgenomen:

Meerjareninvesteringen VU

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

2032

2033

(bedragen x €m)

FCO

45,9

40,8

40,4

40,4

66,7

15,1

27,0

68,5

67,0

78,9

71,7

IT

13,2

15,1

11,8

11,8

9,9

10,9

11,5

15,6

10,0

10,0

10,0

Faculteiten

3,8

6,0

7,0

5,6

8,1

4,5

4,5

4,5

4,5

4,5

4,5

Diensten ov

0,3

1,0

4,2

2,7

-

-

-

-

-

-

-

Totaal investeringen VU

63,2

62,9

63,4

60,5

84,7

30,5

43,0

88,6

81,5

93,4

86,2

De VU heeft diverse beheersmaatregelen ingesteld voor de bewaking van de investeringen en bouwkosten:

  1. Voor het toezicht op de bouwplannen is er de Audit- & Huisvestingscommissie;

  2. De medezeggenschap wordt via een eigen huisvestingscommissie betrokken bij de huisvestingsplannen;

  3. De treasurycommissie rapporteert maandelijks aan het College van Bestuur over de liquiditeit;

  4. De investeringsbeslissingen met financiële verplichtingen worden maandelijks besproken in de investeringscommissie; de financieringsruimte is medebepalend voor het aangaan van investeringsverplichtingen;

  5. In een tweemaandelijks overleg met de facilitaire campusorganisatie (FCO) en het College van Bestuur wordt de voortgang besproken van de (grote) campusinvesteringen.

Ineffectiviteit derivaten

De VU past kostprijshedge-accounting toe op haar derivatenportefeuille. Richtlijn RJ 290 schrijft voor dat het deel van de derivatenportefeuille dat ineffectief is, op de balans gewaardeerd moet worden als de waarde van de derivaten negatief is én meer negatief is dan de waardeverandering van de onderliggende afgedekte leningen. Dit bedrag wordt onder de langlopende schulden gepresenteerd vanwege het langlopende karakter van de derivaten. Een vermindering in de ineffectiviteit komt ten gunste van de staat van baten en lasten. Voor ultimo 2025 is de ineffectiviteit ten opzichte van ultimo 2024 toegenomen met € 0,2m naar € 3,3m (2024: € 3,1m).

Voor het bepalen van de omvang van de ineffectiviteit wordt een vergelijking gemaakt tussen de waardeverandering van de zeer waarschijnlijke toekomstige externe financiering (welke wordt gemodelleerd als een zogenaamd ‘hypothetisch derivaat’) en de marktwaarde per eind 2025 van de bestaande derivatenportefeuille. Het verschil tussen de beide waarderingen is de omvang van de ineffectiviteit.

De marktwaarde van de portefeuille varieert naar gelang de ontwikkelingen op de kapitaalmarkt.

Vanwege de huidige lage kapitaalmarktrente en de lange looptijd vertoont de portefeuille een negatieve marktwaarde van ongeveer € 28,6m per eind 2025 (2024: € 37,3m). De marktwaarde is de actuele waarde van de in de toekomst verschuldigde verplichtingen.

Per ultimo 2025 is, zoals gedefinieerd in het derivatencontract (ISDA) met de Deutsche Bank, geen sprake van een overhedge. Ook in de jaren 2026 en 2027 wordt geen overhedge verwacht. Zie onderstaande tabel voor het overzicht van de bestaande derivatenportefeuille.

Tegenpartij

Transactiedatum

Startdatum

Einddatum

Hoofdsom (X€m)

Vaste rente

Variabele rente

BNG

18-jul-06

1-aug-10

1-aug-25

€ 10,0

4,60%

6M EURIBOR

BNG

18-jul-06

1-aug-11

3-aug-26

€ 10,0

4,65%

6M EURIBOR

Db

13-jun-08

17-jun-13

17-jun-35

€ 50,0

5,23%

1M EURIBOR

DB ¹

13-jun-08

17-jul-13

17-jun-35

€ 41,0

5,37%

1M EURIBOR

DB ¹ ²

13-jun-08

17-feb-14

1-dec-30

€ 97,0

4,38%

1M EURIBOR

DB

7-nov-02

21-mrt-11

21-okt-25

€ 15,0

5,53%

1M EURIBOR

Belangrijkste specifieke risico’s

In hoofdstuk 7 zijn deze risico’s nader omschreven en worden per risico ook de risico-mitigerende maatregelen genoemd.

1 Dit is berekend door het resultaat over 2025 te corrigeren voor loon- en prijsstijgingen en die uitkomst te vergelijken met de begroting van 2024. Door de aannames t.a.v. de correctiepercentages is er sprake van een benadering van de invulling van de bijsturingsopdracht.
2 De fte-ontwikkeling wijkt af van het jaarplan 2026, als gevolg van een correctie op ACTA, waarin de verdeelsleutel 45:55 is gecorrigeerd. In de technische bijeenkomst met GV in december 2025 is de fte-formatie excl. ACTA toegelicht.
Vorige Volgende