Mijn Verslag

8.2 Analyse baten en lasten

In de staat van baten en lasten hieronder worden de ontwikkelingen op de diverse baten- en lastencategorieën afgezet ten opzichte van realisatie 2025 en ten opzichte van de begroting 2025.

STAAT VAN BATEN EN LASTEN

(bedragen x €k)

Realisatie

Begroting

Realisatie

t.o.v.

t.o.v.

2025

2025

2024

Begroting 2025

Realisatie 2024

BATEN

Rijksbijdragen

551.764

531.823

532.040

19.941

19.724

Overige overheidsbijdragen

1.240

1.178

2.231

62

-991

College-, cursus- en/of examengelden

97.585

95.143

90.298

2.442

7.287

Baten werk voor derden

112.707

99.916

104.881

12.791

7.826

Overige baten

64.100

59.682

68.664

4.418

-4.564

Totaal Baten

827.396

787.742

798.114

39.654

29.282

LASTEN

Personele lasten

562.173

549.986

554.034

12.187

8.139

Afschrijvingslasten

76.768

64.563

53.286

12.205

23.482

Huisvestingslasten

56.071

48.021

58.694

8.050

-2.623

Overige lasten

126.466

136.677

135.693

-10.211

-9.227

Totaal Lasten

821.478

799.247

801.707

22.231

19.771

Financiële baten en lasten

-9.311

-10.753

-4.373

1.442

-4.938

Bijzondere posten inzake deelnemingen

394

-71

986

465

-592

Resultaat VU

-2.999

-22.329

-6.980

19.330

3.981

Rijksbijdragen en overige overheidsbijdragen 2025

RIJKSBIJDRAGE

(bedragen x €k)

Realisatie

Begroting

Realisatie

t.o.v.

t.o.v.

2025

2025

2024

Begroting 2025

Realisatie 2024

Rijksbijdrage ontvangen van OCW

635.407

612.636

22.771

Kwaliteitsbekostiging

-

24.591

-24.591

Werkplaatsfunctie GNK

-99.086

-93.810

-5.276

Rijksbijdrage excl. werkplaatsfunctie

536.321

519.325

543.417

16.996

-7.096

Rijksbijdrage extern ontvangen

Rijksbijdrage extern ontvangen

8.653

6.198

12.040

2.455

-3.387

Onderhanden werk

Starters- en stimuleringsbeurzen

10.050

-23.181

33.231

NPO-gelden

-

4.335

-4.335

Zwaartekrachtgelden

-2.535

-673

-1.862

Sectorplangelden

-725

-3.898

3.173

Mutatie onderhanden werk

6.790

6.300

-23.417

490

30.207

Subtotaal Rijksbijdrage

551.764

531.823

532.040

19.941

19.724

Overige rijksbijdragen

Overige overheidsbijdragen

1.240

1.178

2.231

62

-991

Totaal

553.004

533.001

534.271

20.003

18.733

De in 2025 gerealiseerde € 553,0m aan rijksbijdragen is opgebouwd uit € 536,3m rijksbijdrage ontvangen via OCW en voor € 8,6m uit rijksbijdragen ontvangen via onderlinge verrekening van rijksbijdrage tussen UvA en VU, betreffende het Amsterdam University College (AUC), het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) en de verscheidende joint degrees tussen UvA en VU. Daarnaast is er nog € 6,8m gerealiseerd als mutatie in de onderhanden werkpositie. Dit betreft het saldo van de besteding en passivering van de niet-bestede rijksbijdrage voor de starters- en stimuleringsbeurzen, NPO middelen, sectorplangelden en zwaartekrachtgelden (niet-normatieve rijksbijdrage). Naast de rijksbijdrage heeft de VU een bijdrage ontvangen voor de opleiding Orthodontie (€ 1,2m in 2025). Deze wordt verantwoord op de regel ‘Overige overheidsbijdragen’.

De totaal ontvangen rijksbijdrage 2025 van OCW ad € 536,0m is gebaseerd op de 3e begrotingsbrief OCW. Dit bedrag is € 17,0m hoger dan begroot voor 2025 en € 7,1m lager dan de gerealiseerde rijksbijdrage via OCW in 2024. De stijging ten opzichte van de begroting 2025 (Jaarplan 2025) wordt verklaard door de volgende bijstellingen van de rijksbijdrage in de loop van het begrotingsjaar 2025:

  • De loon- en prijscompensatie 2025 is door OCW in de toewijzing verwerkt. Hiervoor heeft de VU in 2025 € 18,6m aan extra middelen ontvangen, waarvan € 9,0m al als voorschot was meegenomen in de begroting 2025. De loon- en prijsruimte 2025 is volledig doorgegeven aan de eenheden, inclusief een budgetevenredig aandeel voor Amsterdam UMC, ACTA en AUC.

  • In 2025 is er € 6,8m aan aanvullende Werkdruk & Talentbeleid middelen ontvangen ten opzichte van de begroting 2025 (op basis van amendementen Bontenbal en Eerdmans). Het saldo op de overige toewijzing bedraagt € 0,6m. Dit betreft een aantal incidentele posten; de VU heeft in 2025 o.a. extra middelen ontvangen voor cybersecurity (€ 1,0m) en studentgebonden financiering (€ 0,7m). Daarnaast heeft de VU een eenmalige bijdrage van € 1,3m geleverd aan de finale verrekening van de halvering collegegelden eerstejaars (afgesproken herverdeling tussen universiteiten).

College-, cursus- en examengelden

COLLEGE-/CURSUS-/LES- EN EXAMENGELDEN

(bedragen x €m)

Realisatie

Begroting

Realisatie

t.o.v.

t.o.v.

2025

2025

2024

Begroting 2025

Realisatie 2024

Wettelijk collegegeld incl PPE

66,2

66,3

63,1

-0,1

3,1

Instellingscollegegeld: Niet-EER

24,9

21,0

21,8

3,9

3,1

Instellingscollegegeld: 2e diploma

1,7

1,8

1,5

-0,1

0,2

Overige inkomsten

2,7

2,7

3,1

-

-0,4

Joint degrees baten

2,1

3,3

0,7

-1,2

1,4

Totaal

97,6

95,1

90,3

2,5

7,3

Realisatie 2025 versus begroting 2025

De totale baten aan collegegelden vallen in 2025 € 2,5m hoger uit dan begroot. De baten uit wettelijk collegegelden zijn in 2025 conform begroting. Zowel het aantal studenten als het betaalde tarief was nagenoeg conform begroting. De baten uit instellingscollegegelden (ICG) van niet- EER studenten zijn in 2025 € 3,9m hoger dan begroot. Het aantal studenten die het niet-EER ICG tarief betaalden was 150 lager dan begroot. Het gemiddelde tarief was echter € 4.000 hoger dan begroot. Dit is het gevolg van de samenstelling van de groep: minder studenten die het overgangstarief betalen en meer studenten die het volledige tarief betalen. De baten uit instellingscollegegelden van 2e graad studenten was conform begroting. Zowel de aantallen als het gemiddelde tarief weken nauwelijks af van de begroting. De overige inkomsten bestaan voor het grootste deel uit de vergoeding die niet-EER studenten betalen voor specifieke administratieve lasten. Omdat het aantal niet-EER studenten lager dan begroot is, is ook deze post lager dan begroot.

De baten uit joint-degrees worden voornamelijk gestuurd door wisseling van penvoerderschappen wat - zeker als een opleiding een groot aantal ICG studenten heeft - leidt tot wijziging in de te verrekenen saldi met de samenwerkingspartners.

Realisatie 2024 versus Realisatie 2025

Ten opzichte van 2024 is het aantal studenten dat het Wettelijk collegegeld betaalt om en nabij gelijk gebleven. Er was wel sprake van een hoger tarief wat de stijging ten opzichte van 2024 verklaart. Gemiddeld was het tarief € 150,- hoger over boekjaar 2025. Ten opzichte van 2024 is het aantal niet-EER studenten dat instellingscollegegeld betaalt, gedaald. Er was wel sprake van een veel hoger gemiddeld tarief, wat de stijging ten opzichte van 2024 verklaart. De baten uit instellingscollegegeld van 2e graadstudenten is om en nabij gelijk gebleven in 2025. Ten opzichte van 2024 daalden de baten uit overige inkomsten met € 0,6m. Het grootste deel daarvan € 0,4m komt door de verschuiving van de AUC-collegegelden van overige inkomsten naar de regel Joint Degree. De baten uit joint degrees zijn in 2025 € 1,4m hoger dan in 2024. Het grootste deel daarvan € 1m is voor rekening van AUC.

Baten werk voor derden

BATEN WERK VOOR DERDEN

(bedragen x €k)

Realisatie

Begroting

Realisatie

t.o.v.

t.o.v.

2025

2025

2024

Begroting 2025

Realisatie 2024

Contractonderwijs

24.111

23.582

19.150

529

4.961

Onderzoek tweede geldstroom

Tweede geldstroom NWO

37.363

27.012

35.217

10.351

2.146

Tweede geldstroom KNAW en overige

190

137

215

53

-25

Subtotaal onderzoek tweede geldstroom

37.553

27.149

35.432

10.404

2.121

Onderzoek derde geldstroom

Derde geldstroom Europese Unie

27.991

26.614

22.948

1.377

5.043

Derde geldstroom nationale overheden

7.604

7.327

4.349

-2.978

3.255

Derde geldstroom not for profit organisaties

11.724

11.297

16.759

427

-5.035

Derde geldstroom bedrijven

4.096

3.947

5.360

149

-1.264

Derde geldstroom overige

-372

-

884

-372

-1.256

Subtotaal onderzoek derde geldstroom

51.043

49.185

50.299

1.858

744

Totaal

112.707

99.916

104.881

12.791

7.826

De baten werk voor derden bestaan uit contractonderwijs en baten uit de 2e en 3e geldstroom Onderzoek. De baten werk voor derden zijn in totaal € 7,8m hoger dan in 2024 en zijn € 12,8m hoger dan begroot.

De baten uit contractonderwijs zijn € 0,5m hoger dan de begroting 2025, de realisatie is € 5,0m hoger dan in 2024. Deze stijging is vooral zichtbaar bij de Faculteit der Sociale en Geesteswetenschappen (FSG) door met name het Taalschakeltraject (€ 3,0m) en bij de dienst Student- & Onderwijszaken (SOZ) (€ 1,1m) door het Centre for Teaching & Learning.

De baten voor onderzoek 2e en 3e geldstroom zijn op totaalniveau € 12,3m hoger dan begroot en stijgen € 7,8m ten opzichte van de realisatie 2024. De stijging van de 2e geldstroombaten ten opzichte van de begroting wordt met name veroorzaakt door een afwijking bij de BETA-faculteit. De BETA-faculteit heeft de begroting van de 2e geldstroombaten te laag geraamd vanwege een voorziene hoge aanvraagdruk vanuit alle universiteiten bij NWO door de dalende bekostiging vanuit OCW. Hiervan is gebleken dat deze aanname niet juist was, de realisatie over 2025 voor de 2e geldstroom onderzoeksbaten bij BETA is gelijk aan de realisatie 2024.

Voor de 3e geldstroombaten is een stijging te zien bij de faculteit voor Gedrags- en Bewegingswetenschappen (FGB) en bij de School of Business en Economics (SBE). Bij FGB wordt deze stijging veroorzaakt doordat er meer projecten zijn binnengehaald dan begroot in 2025. Bij SBE is zowel een stijging te zien bij de 2e geldstroombaten dankzij nieuwe projecten als een stijging in de 3e geldstroombaten.

Overige baten

OVERIGE BATEN

(bedragen x €k)

Realisatie

Begroting

Realisatie

t.o.v.

t.o.v.

2025

2025

2024

Begroting 2025

Realisatie 2024

Overige baten

64.100

59.682

68.664

4.418

-4.564

Totaal

64.100

59.682

68.664

4.418

-4.564

De overige baten bestaan uit een breed scala van doorberekeningen en opbrengsten die niet onder de andere batencategorieën kunnen worden gerubriceerd, zowel op het gebied van onderwijs en onderzoek als op het terrein van bedrijfsmatige activiteiten, inclusief die binnen de VU-Holding BV, en voorzieningen voor studenten en personeel zoals sport en cultuur.

De overige baten komen uit op € 64,1m. Dit is € 4,4m hoger dan begroot en € 4,6m lager dan in 2024. Het verschil met 2024 zit vooral in de categorieën overige baten studenten (-€ 1,4m), overige baten onderwijs en onderzoek (+€ 1,4m), overige baten personeel (-€ 1,3m) en overige baten verhuur (-€ 2,9m). De overige verhuurbaten nemen bijvoorbeeld af door het niet meer verhuren van het OZW-gebouw aan Hogeschool Inholland.

Personele lasten

PERSONELE LASTEN VU

Realisatie

Begroting

Realisatie

(bedragen x €k)

2025

2025

2024

t.o.v. Begroting 2025

t.o.v. Realisatie 2024

Brutolonen en salarissen

359.263

353.516

343.031

5.747

16.232

Sociale lasten en pensioenpremies

92.992

92.302

89.513

690

3.479

Personeel niet in loondienst

21.758

16.985

26.191

4.773

-4.433

Dotaties personele voorzieningen

12.514

2.663

22.330

9.851

-9.816

Overige personele lasten

4.363

16.986

5.047

-12.623

-684

Totaal

490.890

482.452

486.112

8.438

4.778

ULTIMO AANTAL FTE VU

Realisatie

Begroting

Realisatie

(in aantallen)

2025

2025

2024

t.o.v. Begroting 2025

t.o.v. Realisatie 2024

WP

2.642

2.662

2.742

-20

-100

OBP

1.984

2.081

2.039

-97

-55

Totaal

4.626

4.743

4.781

-117

-155

PERSONELE LASTEN VERBONDEN PARTIJEN

Realisatie

Begroting

Realisatie

(bedragen x €k)

2025

2025

2024

t.o.v. Begroting 2025

t.o.v. Realisatie 2024

VUmc

64.462

61.169

61.297

3.293

3.165

AUC

4.740

4.384

5.006

356

-266

VU Holding BV

2.081

1.981

1.619

100

462

Totaal

71.283

67.534

67.922

3.749

3.361

PERSONELE LASTEN TOTAAL

Realisatie

Begroting

Realisatie

(bedragen x €k)

2025

2025

2024

t.o.v. Begroting 2025

t.o.v. Realisatie 2024

Totaal VU (incl. verbonden partijen)

562.173

549.986

554.034

12.187

8.139

Lonen, salarissen en sociale lasten

Deze toelichting heeft betrekking op de enkelvoudige personele lasten van de VU; de personele lasten van Amsterdam UMC, AUC en VU Holding zijn buiten beschouwing gelaten.

De totale personele lasten bedragen in 2025 € 490,9m, wat € 8,4m (1,7%) hoger is dan de begroting 2025 en € 4,8m (1,0%) hoger dan in 2024.

Het geheel van de brutolonen, sociale lasten en pensioenpremies gezamenlijk zijn in 2025 met € 19,7m (4,5%) toegenomen ten opzichte van 2024 (excl. Amsterdam UMC, AUC en VU Holding). Dit is het gevolg van de reguliere tredeverhoging, van de loonstijging van 2% en eenmalige uitkering in 2025, met een effect van circa € 5,5m die zijn afgesproken in de CAO. De CAO  loopt van 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2026. Ook is er sprake van doorwerking van loon- en schaalstijgingen die in 2024 zijn ingezet en nog effect hebben op de kosten in 2025. Hoewel deze ontwikkelingen in de regel een sterkere kostenstijging zouden veroorzaken, blijft de stijging in 2025 gedempt als gevolg van een lager aantal fte’s dan begroot.

De gemiddelde personele lasten (GPL) per fte (incl. sociale lasten) berekenen we op basis van gemiddelde fte en niet op basis van de standen zoals in de tabel hierboven. De GPL nam toe van € 91,3k in 2024 tot € 96,8k in 2025, een stijging van 6%. De stijging van de GPL is in lijn met de stijging van de loonkosten en daling van het gemiddelde aantal fte’s.

Aantal fte’s

Het aantal fte’s op 31 december 2024 bedroeg 4.785 en op 31 december 2025 bedraagt deze 4.626. Dit is een vermindering van 3,3%. Per ultimo 2025 is deze afname voornamelijk zichtbaar binnen de faculteiten. De realisatie blijft achter bij de begroting 2025 door bijsturingsmaatregelen, bezuinigingen en het (tijdelijk) niet kunnen invullen van vaste vacatures, die deels zijn opgevangen met inhuur.

Personeel niet in loondienst

Hieronder volgt een grafisch overzicht van de inhuurkosten voor personeel niet in loondienst in 2025 en 2024 per faculteit en per dienst (bedragen in €m).

De totale kosten van het ingehuurde personeel (detacheringen, uitzendkrachten e.d.) binnen de VU (excl. AUC, VU Holding en Amsterdam UMC) bedroegen in 2025 € 21,8m. Dit is een daling van € 4,4m ten opzichte van 2024 (€ 26,2m). Ten opzichte van de begroting is de realisatie in 2025 € 4,7m hoger. De grootste verschillen zijn te zien bij Dienst Facilitaire Campus Organisatie (€ 2,8m), Financiën (€ 1,4m), Dienst Informatietechnologie (€ 1,1m) Bètafaculteit ​(€ 0,9m).

Bij Dienst Facilitaire Campus Organisatie hangen de hogere kosten samen met extra inzet van specifieke expertise voor onder andere investeringsprojecten, tijdelijke vervanging binnen de formatie en een doorbelasting naar CCE (Coördinatiecentrum Energie) van € 0,9m. Bij Financiën betreft het niet begrote externe inhuur voor ziektevervanging en tijdelijke uitbreiding voor projecten. De hogere lasten bij Dienst Informatietechnologie zijn het gevolg van externe inhuur ter invulling van ontstane vacatureruimte, inzet op thema’s. Bij IT worden de hogere inhuurkosten grotendeels gedekt door lagere kosten personeel in loondienst. Bij de Bètafaculteit worden de hogere kosten eveneens veroorzaakt door tijdelijke herbezetting van functies als gevolg van ziekte en zwangerschapsverlof.

Dotaties personele voorzieningen

DOTATIES PERSONELE VOORZIENINGEN

Realisatie

Begroting

Realisatie

(bedragen x €k)

2025

2025

2024

t.o.v. Begroting 2025

t.o.v. Realisatie 2024

Ontslaglasten

6.626

198

4.846

6.428

1.780

Reorganisatielasten

-1.264

-

4.350

-1.264

-5.614

Programmaorganisatie Organisatieontwikkeling

-

-

3.409

-

-3.409

Transitievergoedingen

1.526

-

1.634

1.526

-108

Ambts- en dienstjubilea

559

300

369

259

190

Sabbaticals

482

-

135

482

347

Eigen risico WIA

1.530

700

6.374

830

-4.844

Langdurig zieken

-784

200

1.022

-984

-1.806

Vitaliteitspact

265

265

-

-

265

Mobiliteitsfonds

3.574

-

-

3.574

3.574

Overige personele voorzieningen

-9

1.000

189

-1.009

-198

Totaal

12.505

2.663

22.330

9.842

-9.825

Personele voorzieningen worden gebruikt om kosten op te vangen die ontstaan bij de afwikkeling van personele dossiers, zoals ontslag, reorganisatie en langdurige ziekte.

In 2025 bedraagt de totale dotatie aan personele voorzieningen € 12,5m, een daling van € 9,8m ten opzichte van 2024 (€ 22,3m). De grootste dotaties ten opzichte van 2024 hebben betrekking op ontslaglasten, reorganisatielasten, programmaorganisatie Organisatieontwikkeling, het eigen risico WIA en het mobiliteitsfonds. De dotatie voor ontslaglasten betreft verplichtingen die samenhangen met beëindiging van dienstverbanden, waaronder uitkeringslasten voor voormalige medewerkers en kosten voor begeleiding naar ander werk. De stijging in 2025 wordt veroorzaakt door nieuwe en geactualiseerde dossiers die leiden tot hogere toekomstige verplichtingen. De dotatie voor reorganisatielasten is aanzienlijk lager dan in 2024. In 2024 waren de lasten hoog door enkele omvangrijke ontwikkelingen in het kader van de bijsturing die tot eenmalige voorzieningen hebben geleid. In 2025 vallen deze incidentele effecten weg. Daarnaast vond er in 2025 een correctie plaats op de reorganisatievoorziening. In één geval vallen de reorganisatielasten lager uit dan eerder voorzien. Voor een andere eenheid is het besluitvormingsproces leidend tot de reorganisatie nog niet geheel doorlopen. Tevens is in 2025 geen dotatie voor het programma Organisatieontwikkeling opgenomen, de voorziening die gevormd is in 2024 is voldoende om de kosten van dit programma te dekken. De dotatie voor het eigen risico WIA is lager dan in 2024. Er bestaat nu een verplichting voor 39 medewerkers. In 2025 is een eenmalige dotatie van € 3,6m opgenomen voor het Mobiliteitsfonds, op basis van de cao‑afspraken[1] die in 2025 van kracht zijn geworden.

De afwijking van € 12,0m ten opzichte van de begroting 2025 wordt vooral veroorzaakt door hogere lasten voor ontslaglasten, transitievergoeding en het mobiliteitsfonds.

Afschrijvingslasten

AFSCHRIJVINGSLASTEN

(bedragen x €k)

Realisatie

Begroting

Realisatie

t.o.v.

t.o.v.

2025

2025

2024

Begroting 2025

Realisatie 2024

Afschrijvingslasten

76.768

64.563

53.286

12.205

23.482

Totaal

76.768

64.563

53.286

12.205

23.482

De afschrijvingslasten zijn in 2025 € 12,2m hoger dan begroot en € 23,4m hoger dan gerealiseerd in 2024. De stijging ten opzichte van de begroting ontstaat voornamelijk door de afwaardering van gasturbines (€ 14,3m). Tegelijkertijd vallen de reguliere afschrijvingslasten bij de facilitaire campusorganisatie en IT lager uit doordat diverse investeringsprojecten later starten of zijn uitgesteld. Dit is het resultaat van een bewuste planning, waardoor ook de bijbehorende afschrijvingen later in de tijd vallen.

Het verschil met 2024 wordt daarnaast verklaard door de ingebruikname van het nieuwe onderzoeksgebouw, waardoor het afschrijvingsniveau structureel is toegenomen.

Huisvestingslasten

HUISVESTINGSLASTEN

(bedragen x €k)

Realisatie

Begroting

Realisatie

t.o.v.

t.o.v.

2025

2025

2024

Begroting 2025

Realisatie 2024

Huisvestingslasten

56.071

48.021

58.694

8.050

-2.623

Totaal

56.071

48.021

58.694

8.050

-2.623

De huisvestingslasten zijn in 2025 € 8,0m hoger dan begroot. De hogere lasten ten opzichte van de begroting worden grotendeels veroorzaakt door incidentele posten. De belangrijkste hiervan zijn de projectkosten ter grootte van € 4,7m voor de renovatie het AB gedeelte van het W&N gebouw. De geplande renovatie van het AB-gedeelte van het W&N-gebouw zal niet volgens het oorspronkelijke plan worden uitgevoerd. In 2026 wordt een definitief besluit genomen over de toekomstige bestemming van het gebouw, waarbij nu al vaststaat dat deze zal afwijken van de eerder voorziene functie. Hierdoor kunnen de reeds geactiveerde projectkosten niet op de balans blijven staan en moeten deze als eenmalige last ten laste van de exploitatie worden gebracht.

Daarnaast is in 2025 een correctie op de energiekosten van voorgaande jaren verwerkt ter hoogte van € 2,6m, voornamelijk betrekking hebbend op CCE. Deze correctie draagt voor een belangrijk deel bij aan de hogere realisatie ten opzichte van de begroting. Daartegenover staan lagere reguliere huisvestingslasten. Met name de energielasten zijn gedaald, waarvan circa 40% wordt verklaard door lagere tarieven en 60% door verminderd verbruik. Hierdoor vallen de totale huisvestingslasten € 2,6m lager uit dan in 2024.

Overige instellingslasten

OVERIGE LASTEN

(bedragen x €k)

Realisatie

Begroting

Realisatie

t.o.v.

t.o.v.

2025

2025

2024

Begroting 2025

Realisatie 2024

Overige lasten

126.466

136.677

135.693

-10.211

-9.227

Totaal

126.466

136.677

135.693

-10.211

-9.227

De overige instellingslasten bedragen in 2025 € 126,5m en vallen € 10,2m lager uit dan begroot. De overige instellingslasten omvatten onder meer administratie, inkomensoverdrachten, inventaris en apparatuur, reis‑ en congreskosten, onderwijs‑ en onderzoekskosten, automatiseringskosten en overige materiële lasten. De lagere realisatie wordt voornamelijk veroorzaakt door lagere kosten bij de diensten. In de laatste maanden van het jaar zijn de materiële kosten toegenomen, maar de totale lasten blijven achter bij de begroting, doordat er in het kader van de bijsturing meer kostenbewustzijn ontstaat. Vooral de afname van de kosten van BETA valt hierbij op € 4,0m en ook IT laat een afname zien van € 3,2m.

Financiële baten en lasten

FINANCIËLE BATEN EN LASTEN

Realisatie

Begroting

Realisatie

t.o.v.

t.o.v.

(bedragen x €k)

2025

2025

2024

Begroting 2025

Realisatie 2024

Rentebaten

4.962

5.000

4.727

-38

235

Rente Belastingdienst

-

-

-

-

-

Overige financiële baten

-

-

56

-

-56

Rentelasten bancaire financieringen

-8.110

-9.119

-12.441

1.009

4.331

Rentelasten SWAP-portefeuille

-5.893

-6.200

-2.399

307

-3.494

Wijzing ineffectiviteit renteswaps

-200

-246

-200

46

Rentelasten overig

-70

-434

-40

364

-30

Geactiveerde rentelasten

-

-

5.971

-

-5.971

Totaal

-9.311

-10.753

-4.372

1.442

-4.939

Om de renterisico’s die voortkomen uit de externe financieringen te mitigeren maakt de VU gebruik van renteswaps. De financieringslasten worden daardoor bepaald door de combinatie van de rentekosten op bancaire leningen en de rentestromen uit de SWAP portefeuille. In 2025 is sprake van verschillende renteontwikkelingen die gezamenlijk het resultaat financiële baten en lasten bepalen.

Ondanks de daling van de geldmarktrente in 2025 zijn de rente-inkomsten nagenoeg gelijk gebleven, doordat de VU beschikte over een hogere liquiditeitspositie en kon profiteren van verbeterde rentecondities op deze middelen. De dalende geldmarktrente werkte daarnaast door in de rentelasten op het niet door renteswaps gedekte deel van de leningenportefeuille, waardoor de rentelasten op bancaire financieringen duidelijk lager uitvielen dan in 2024.

Tegelijkertijd zijn de rentelasten binnen de SWAP portefeuille gestegen. Dit komt doordat de VU onder de renteswaps een vaste rente betaalt, terwijl de marktrente in 2025 verder is gedaald. Hierdoor viel het variabele rentedeel dat de VU op de swaps ontvangt lager uit, waardoor de VU per saldo meer betaalt op de swapcontracten. In 2025 vond bovendien geen activering van rentelasten meer plaats, terwijl in 2024 nog bijna € 6,0m aan rente werd geactiveerd bij investeringsprojecten. Dit heeft een negatief effect op het resultaat.

Per saldo leiden deze ontwikkelingen tot een totaalresultaat financiële baten en lasten van € –9,3m in 2025. Dit is gunstiger dan de begroting 2025, maar aanzienlijk lager dan het resultaat over 2024, vooral door het wegvallen van geactiveerde rentelasten (bouwrente) en de hogere swaplasten als gevolg van de gedaalde marktrentes.

Balans (geconsolideerd)

GECONSOLIDEERDE BALANS

(bedragen x €m)

2025

2024

ACTIVA

Vaste activa

Immateriële vaste activa

11,8

21,4

-9,7

Materiële vaste activa

727,6

759,0

-31,5

Financiele vaste activa

8,4

7,6

0,8

Totaal vaste activa

747,8

788,1

-40,3

Vlottende activa

Voorraden

0,8

0,7

0,1

Vorderingen

55,9

59,7

-3,8

Liquide Middelen

225,8

206,4

19,4

Totaal vlottende activa

282,5

266,9

15,6

Totaal activa

1.030,3

1.055,0

-24,7

PASSIVA

Eigen vermogen

Algemene reserve

335,3

327,8

7,5

Bestemmingsreserve sectorgelden

1,6

1,6

-

Private bestemmingsreserve

1,1

1,8

-0,7

Private bestemmingsfonds

0,1

0,3

-0,2

Wettelijke reserve ontwikkeling software

9,8

19,4

-9,6

Totaal eigen vermogen

347,9

350,9

-3,0

Voorzieningen

44,7

45,3

-0,6

Langlopende schulden

267,5

287,5

-20,0

Kortlopende schulden

370,2

371,3

-1,1

Totaal passiva

1.030,3

1.055,0

-24,7

Activa – toelichting

De omvang van de Activa is gedaald van € 1.055,0m (2024) naar € 1.030,2m in 2025. Deze daling wordt veroorzaakt doordat in 2025 de afschrijvingen (-€ 70,6m) hoger zijn dan de investeringen in de materiële vaste activa (€ 40,5m). Dit verklaart samen de daling in de materiële vaste activa. De stijging van de liquide middelen t.o.v. 2024 wordt vooral veroorzaakt doordat er minder is geïnvesteerd en door de nog niet ingezette gelden voor bijvoorbeeld SSB, Zwaartekrachtgelden en Sectorplangelden die nog onder de kortlopende schulden zijn verantwoord.

Passiva – toelichting

Aan de passivazijde is een afname van het totale Eigen vermogen zichtbaar vanwege het negatieve exploitatieresultaat van € 3,0m. Deze afname is met name ontstaan door de ontwikkeling in de Wettelijke reserveontwikkeling software en wordt gedempt door het toevoegen van het resultaat in de algemene reserve. De langlopende schulden bestaan uit twee delen, namelijk de EIB-financiering voor de eerste fase van de campusontwikkeling (stand € 106,3m per 31.12.2025). Op deze schuld is in 2025 € 14,1m afgelost. Het volume aan opgenomen leningen voor de tweede fase van de campusontwikkeling bij de BNG en de EIB bedraagt per ultimo 2025 € 150,1m en er is in 2025 € 6,0m afgelost. De langlopende schuldverplichting in verband met de hoogte van de ineffectiviteit van de derivaten bedraagt per ultimo 2025 € 3,3m.

1 Conform de cao Nederlandse Universiteiten 2025–2026 (looptijd 1 juli 2025–30 juni 2026) wordt de hoogte van het mobiliteitsfonds bepaald op basis van de werkgeversinstructies (bron: CAO Nederlandse Universiteiten).
Vorige Volgende