Ga naar website navigation Ga naar artikel navigatie Ga naar inhoud

Starters- en stimuleringsbeurzen

Inhoudelijke toelichting

Het ministerie van OCW heeft het instrument starters- en stimuleringsbeurzen ontwikkeld met het doel om een grotere stabiliteit en voorspelbaarheid van de onderzoeksfinanciering van universiteiten en UMC’s te creëren. Het zijn niet-competitieve middelen die ongebonden onderzoek moeten stimuleren en de werk-, competitie- en aanvraagdruk moeten verminderen.  

In de interne verdeling van de middelen voor starters- en stimuleringsbeurzen, volgt de VU de verdeelsleutel van OCW, die gebaseerd is op studentenaantallen. Hoewel de middelen een stimulans voor onderzoek zijn, vinden we de keuze voor deze verdeelsleutel de juiste; de toename in studentenaantallen en de achterblijvende financiering daarvoor heeft er immers mede toe geleid dat de werkdruk het hoogst is waar de meeste studenten zijn. Als gevolg daarvan is daar de ruimte voor ongebonden onderzoek het kleinst. 

De VU houdt jaarlijks 10% van het totaalbedrag van de stimuleringsbeurzen buiten deze verdeling, zodat deze beurzen specifiek kunnen worden ingezet daar waar we knelpunten ondervinden in de  besteding van beurzen.

Voor de interne verdeling van de beurzen is een model opgesteld dat voldoet aan de voorwaarden in het Bestuursakkoord voor de inzet van starters- en stimuleringsbeurzen. De Gezamenlijke Vergadering van de VU heeft positief geadviseerd over dit model. De faculteiten hebben aan de hand van het model een facultair bestedingsplan opgesteld waaruit blijkt hoe zij de middelen binnen hun faculteit willen toedelen. Deze bestedingsplannen zijn afgestemd met de lokale medezeggenschap en vervolgens goedgekeurd door het College van Bestuur.

Omdat er verschillen in werkdruk en financiële ruimte voor onderzoek zijn tussen de faculteiten, wordt geen kader opgelegd dat voor alle faculteiten hetzelfde is, maar worden de faculteiten gevraagd om aan te geven welke uitgangspunten worden gehanteerd voor de besteding van de middelen (zoals: verlichten werkdruk, meer vaste contracten, ruimte voor ongebonden onderzoek, terugbrengen aanvraagdruk, etc.) en welke transparante en duidelijke criteria worden gehanteerd bij de selectie van de UD's, UHD's of hoogleraren aan wie zij een starters- of stimuleringsbeurs willen wordt toegekend. De impact van deze middelen is groot op de carrières van (jonge) wetenschappers en er zijn onvoldoende beurzen om aan alle UD's die op of na 1 januari 2022 een vast contract krijgen of hebben gekregen een startersbeurs toe te kennen. Dat betekent dat de faculteiten moeten kiezen. Die keuzes moeten gemaakt worden op basis van zo objectief mogelijke criteria. In het bestedingsplan geven de faculteiten aan welke transparante en duidelijke criteria de faculteit hanteert bij het bepalen van die keuzes.

Binnen de VU zijn er in 2022 nog geen starters- en stimuleringsbeurzen toegekend. De hiervoor ontvangen middelen in 2022 zijn via de balans meegenomen naar 2023 en betrokken bij de ruimte die er in 2023 was voor de toekenning van starters- en stimuleringsbeurzen. Dit betekent dat hierna gepresenteerde aantallen en bedragen inclusief het aandeel 2022 zijn.

AANTAL ONDERZOEKERS PER CATEGORIE

   
 

Startersbeurzen

Stimuleringsbeurzen

Totaal

Universitair docent

82

5

87

Universitair hoofddocent

-

15

15

Hoogleraar

-

12

12

Overig WP

10

2

12

Totaal

92

34

126

GENDERVERDELING

   
 

Startersbeurzen

Stimuleringsbeurzen

Totaal

Man

46

11

57

Vrouw

46

23

69

Totaal

92

34

126

In totaal zijn er tot en met 2023 92 startersbeurzen en 34 stimuleringsbeurzen aan onderzoekers toegekend, met een totale begroting voor de gehele looptijd van € 35,8m (€ 27,4m en € 8,4m respectievelijk). De genderverdeling bij de startersbeurzen is 50% vrouwen, 50% mannen en bij de stimuleringsbeurzen 67% vrouwen en 33% mannen.

% ONDERZOEKERS met een starters- of stimuleringsbeurs (UD, UHD, Hoogleraar)

   
 

Startersbeurzen

Stimuleringsbeurzen

Totaal

Universitair docent

26%

2%

28%

Universitair hoofddocent

 

11%

11%

Hoogleraar

 

7%

7%

Het percentage onderzoekers (met een vaste aanstelling) die in 2023 een starters- of stimuleringsbeurs hebben ontvangen is bij UD’s 28%, UHD’s 11% en hoogleraren 7% (op basis van het totaal aantal onderzoekers naar categorie met een vaste aanstelling volgens telling eind 2023).

Financiële toelichting

BESTEDING

   

(bedragen in € x1.000)

Startersbeurzen

Stimuleringsbeurzen

Totaal

Onderzoeksfaciliteiten

78

22

100

Aanstelling medewerker (onderzoek of onderzoeksondersteuning)

731

91

822

Vergroting van onderzoekstijd (beurshouder)

133

36

169

Totaal

943

149

1.092

Bij de startersbeurzen is over het boekjaar 2023 een besteding van € 943k gerealiseerd. Dit bedrag kan als volgt worden verbijzonderd naar de afgesproken drie bestedingscategorieën: € 78k voor onderzoeksfaciliteiten’, € 731k voor aanstelling extra medewerkers voor onderzoek/ondersteuning’ en € 134k voor vergroting van de onderzoekstijd van de beurshouder.

Bij de stimuleringsbeurzen is in het boekjaar 2023 een besteding van € 149k gerealiseerd, waarvan € 22k voor onderzoeksfaciliteiten, € 91k voor de aanstelling van extra medewerkers voor onderzoek/ondersteuning en € 36k voor de vergroting van onderzoekstijd van de beurshouder.

Begroot vs. realisatie 2023

Tabel invoegen

BEGROOT vs REALISATIE 2023

   

(bedragen in € x1.000)

Begroot

Realisatie

Saldo

Startersbeurzen

2.083

-943

1.140

Stimuleringsbeurzen

456

-149

307

Totaal

2.539

-1.092

1.447

In 2023 heeft besluitvorming plaatsgevonden over de toekenning van de beschikbare beurzen van 2022 en 2023. In totaal gaat dit om een begrote besteding van in totaal € 35,8m waarvan € 2,5m in het boekjaar 2023. De feitelijke besteding over 2023 valt € 1,4m lager uit. Deze onderbesteding wordt volledig verklaard door een latere start in het toekennen van de beurzen dan begroot en zal in 2024 e.v. naar verwachting volledig worden ingehaald. Faculteiten hebben tijd nodig gehad in 2023 om hun plannen af te ronden en afspraken te maken en vast te leggen met de beurshouders, waarna gelet op de verantwoordingseisen nog een administratief proces moest worden afgerond, inclusief de inrichting van een volledig nieuwe projectadministratie voor deze beurzen. Deze stappen en het bijbehorende leerproces zijn nu doorlopen, waarbij de verwachting is dat de start van nieuwe beurzen in 2024 en verder veel sneller kan worden afgehandeld, zowel wat betreft besluitvorming als administratieve afhandeling.

STARTERS- EN STIMULERINGSBEURZEN 2022 & 2023

    

(bedragen in € x1.000)

Ontvangen van OCW

Afdracht overhead

Realisatie in 2023

Balanspositie

Startersbeurzen

20.304

-1.321

-943

18.040

Stimuleringsbeurzen

18.758

 

-149

18.609

Totaal inclusief VUmc

39.062

-1.321

-1.092

36.649

Totaal exclusief VUmc

36.049

-1.254

-1.086

33.709

Doorgeschoven indexatie

-934

  

-934

Overige mutaties

   

-179

Totaal VU

35.115

-1.254

-1.086

32.595

De VU heeft voor de jaren 2022 en 2023 in totaal € 39,1m aan beursmiddelen van OCW ontvangen, waarvan € 3,0m voor Amsterdam UMC (locatie VUmc).  De middelen worden over de faculteiten verdeeld naar rato van het aantal ingeschreven studenten, conform de sleutel die door OCW wordt gehanteerd voor de landelijke verdeling van de beurzen. Deze sleutel is overgenomen zodat ook bij de studentrijke faculteiten een betere balans tussen onderwijs en onderzoek kan worden gerealiseerd.  Op de toewijzing naar de faculteiten toe is er afdracht centrale overhead aangebracht van totaal 1,3m. Daarnaast wordt een deel van de ontvangen indexatie over 2023 in verband met de nieuwe CAO uitgekeerd in 2024 (€ 0,9m) en zijn er enkele overige correcties aangebracht (€ 0,2m).

Het verschil tussen de middelen van OCW ontvangen (na afdracht van centrale overhead en overige correcties) en het bedrag dat in 2023 al is besteed (realisatie 2023) staat als onderhanden werk op de balans. Hiervoor zijn al verplichtingen aangegaan in de vorm van toegekende- of nog toe te kennen beurzen waarvan de besteding in 2024 en verder plaats gaat vinden.

Balanspositie

BALANSPOSITIE (excl. VUmc)

Realisatie

(bedragen in € x1.000)

2023

Reeds geplande bestedingen 2024 en verder

31.025

Nog niet toegekende middelen & knelpuntenbudget

1.570

Totaal

32.595

Wij hebben als VU eind 2023 een balanspositie (onderhanden werk) van € 32,6m. Dat is exclusief het aandeel onderhanden werk op de beurzen Geneeskunde omdat wij het beschikbare bedrag 2022 & 2023 aan beurzen Geneeskunde volledig hebben overgeboekt naar de Amsterdam UMC (locatie VUmc). Het saldo onderhanden werk van € 32,6m bij de VU bestaat uit € 31,0m aan geplande bestedingen 2024 en verder (uit reeds toegekende ’22 en ’23 middelen aan de faculteiten) en € 1,6m aan nog toe te kennen beurzen. Het bedrag van € 1,6m is een deel van de OCW-toewijzing voor stimuleringsbeurzen die gereserveerd is als beleidsruimte om via de toewijzing van extra stimuleringsbeurzen bij te kunnen springen bij facultaire knelpunten. Deze beleidsruimte zal mogelijk moeten worden ingezet om te voldoen aan de ministeriële aanscherping van de regels voor de startersbeurzen zoals opgenomen in de Kamerbrief van december 2023.

Overhead systematiek

De starters- en stimuleringsbeurzen worden in de projectadministratie verwerkt en daarbij wordt voor de bepaling van de overhead dezelfde standaardtarieven toegepast als voor overige onderzoeksprojecten. Die tarieven zijn gebaseerd op het Kosten Doorbelastings Model VU 2023 (KDM VU 2023). Via het KDM VU worden de kosten van de centrale diensten van de VU doorbelast aan de faculteiten. Hiertoe worden de kosten van de centrale diensten verbijzonderd naar een aantal hoofdactiviteiten, waarbij per activiteit is gekeken welke verdeelsleutel (parameters zoals het aantal studenten, het aantal medewerkers, het aantal vierkante meters, het aantal IT-werkplekken, etc.) het meest geschikt is om de kosten door te belasten naar de faculteiten. Het KDM VU wordt toegepast over alle geldstromen van de VU, waarbij voor de doorbelasting aan projecten uit administratieve overwegingen is gekozen voor een vereenvoudigde uitwerking, namelijk door de doorbelasting op basis van KDM terug te rekenen naar een tarief per fte WP of OBP. Dit betekent dat overhead wordt toegerekend aan de personele componenten van een projectbegroting en niet aan de materiële componenten. Dit geldt ook voor de toerekening van overhead aan de starters- en stimuleringsbeurzen.

Door deze systematiek kan het percentage overhead per beurs verschillen. Dit is afhankelijk van het deel van de beurs dat zal worden besteed aan materiële lasten (bijvoorbeeld onderzoeksfaciliteiten) maar ook van de hoeveelheid fte die uit een beurs kan worden gefinancierd (een promovendus is bijvoorbeeld goedkoper dan een UD). Het is in bepaalde gevallen ook mogelijk dat de doorbelaste overhead per beurs hoger uitkomt dan 20%. In dat geval wordt het bedrag aan overhead dat ten laste van de beurs komt gemaximeerd op 20% en wordt het restant geboekt als eigen facultaire bijdrage.

In de tabellen hieronder zijn de directe en indirecte kosten (op basis van KDM VU 2023) gespecificeerd op basis van de realisatie van 2023. De totale realisatie op de indirecte kosten komt uit op 19% van de totale bestedingen. Bij de startersbeurzen is het bedrag inclusief facultaire eigen bijdrage van € 12k vanwege een hogere actuele percentage van 21%. Bij ‘Onderzoeksfaciliteiten’ wordt er geen overhead op toegepast.

OVERHEAD PERCENTAGE

  
 

bedragen in € x1.000

Percentage

Directe kosten

882

81%

Indirecte kosten

209

19%

Totaal

1.092

100%